Het is binnen Schaakvereniging Zierikzee traditie dat de clubkampioen een simultaan geeft tegen alle leden. Noem het een soort van Super Cup, als sluitstuk van het seizoen. Omdat Aloys Kersten zijn titel prolongeerde, was het wederom aan hem de uitdaging aan te gaan. Net als in de vorige editie waren elf schakers bereid de degens met hem te kruisen in een zogenaamd Ledenelftal. Nu is komen tot een resultaat tegen Kersten met name in de interne competitie al een lastige opgave. Maar hoe weet Kersten te presteren als hij zijn aandacht over elf borden tegelijk moet verdelen? En zijn er misschien schakers die daarvan weten te profiteren? Het werd voor zowel Kersten als zijn tegenstanders een pittige avond. Pas om 23.00 uur had Kersten de eerste partij gewonnen. En tegen middernacht had Kersten alle partijen afgerond en viel de balans net in zijn voordeel uit: 4x winst, 4x gelijk en 3x verlies.
Aloys Kersten – Ledenelftal 6 - 5
“Vorig jaar als clubkampioen mijn eerste simultaan sinds lange tijd gespeeld. Viel me toen niet echt mee. Je merkt toch dat je wat ouder wordt. Fysiek hield ik die vier uur wel goed vol, maar mentaal merk je toch dat je wat minder snel nadenkt dan vroeger. Je hebt gewoon voor alles wat meer tijd nodig om een stelling goed te doorzien. En bij een simultaan heb je juist die tijd niet. De score van 50% vorig jaar viel me dus ook niet echt mee. Deze keer had ik me niet bijzonder voorbereid. Wel was ik van plan om de stellingen een beetje simpel te houden. Dat is me bij een aantal partijen gelukt, waar ik dan op een pionnetje winst kon spelen en dat dan in het eindspel te gelde maken. Maar er waren ook een aantal partijen die te ingewikkeld waren om snel te doorzien en moest ik dus meer op mijn gevoel afgaan, wat niet altijd goed uitpakte.
In een simultaan is het altijd fijn om een aantal partijen te hebben waar je in het begin al op voordeel komt, om dat vervolgens geleidelijk en zo eenvoudig mogelijk uit te bouwen naar een gewonnen eindspel. Dergelijke partijen kosten het minste energie. Tegen Piet van der Schee speelde ik zo’n partij. Stuk voor in de opening en dus snel afwikkelen. Helaas, dan moet je niet je dame (tegen een paard) met een eenvoudig familieschaakje afgeven. Deze partij kostte me onbedoeld dus toch nog de nodige energie. Gelukkig dat Van der Schee niet altijd de beste voortzetting vond en ik dus toch het punt kon scoren.
Tegen Dick Doeswijk en Jac Weeland werkte de tactiek beter. In beide partijen kwam ik een pion voor in de opening, die ik tot in het toreneindspel behield. Omdat beiden het eindspel niet geheel vlekkeloos speelde, kon ik deze partijen tot winst afwikkelen.
Ook tegen Mark van Rooten kwam ik in de opening een pion voor (weliswaar door Van Rooten geofferd voor een aanvallende stelling). Het lukt me echter niet om de partij eenvoudig te houden, daar speelde Van Rooten te agressief voor. Er kwam dus een ingewikkelde stelling op bord met kansen voor beide partijen. Ik maakte de eerste fout, dat kostte me een paard, maar ik bleef wel aanvalskansen behouden op de koning van Van Rooten die naar het midden gedreven werd. Van Rooten dacht dameruil te kunnen forceren, waardoor mijn aanval dood zou lopen. Helaas voor hem overzag hij een tussenzetje van mij, waardoor ik het stuk terugwon, de dames afgeruild werden en ik dus nog steeds dat pionnetje voorstond. In het eindspel kon ik dat verzilveren. Dat was mijn vierde winstpunt, maar helaas ook mijn laatste volle punt.
Dan waren er ook nog vier partijen die in remise eindigden. Tegen Ernst van Beek kwam ik ook dat pionnetje voor in de opening, net zoals bij Van Rooten was het een offer van Van de Beek voor aanvallend spel. Ik wist de aanvalskansen van Van de Beek te neutraliseren en af te wikkelen naar een eindspel, wat volgens mij gewonnen moest zijn voor mij. Maar in die afwikkeling ben ik dat pionnetje voordeel op een of andere manier kwijtgeraakt. Wat overbleef was een toreneindspel met ieder drie pionnen, remise dus. Tergen zowel Erik de Vrieze als Martin Both ging de opening gelijk op. In beide partijen had ik het idee dat het niet de goede kant opging. Het lukte me niet om grip op deze partijen te krijgen. Ik besloot daarom om niet geforceerd op winst te gaan spelen, maar te bezien hoe ik de remisehaven kon bereiken. Dat lukte gelukkig, maar ik sluit niet uit dat ze het ergens beter hadden kunnen doen.
Tegen Efraïm Pronk was het weer een heel andere partij. Die ging lang gelijk op, totdat ik een torenoffer van Pronk overzag. Dat kon ik niet aannemen, omdat ik anders mat zou gaan. Gelukkig kon ik een toren terug offeren. Het kostte me uiteindelijk een paard, maar ik kreeg er drie pionnen voor terug. In het eindspel zag Pronk niet goed op welke wijze hij de partij tot winst moest voeren en dus berustte hij in herhaling van zetten. Ik denk dat ik daar het meest gelukkig mee was.
En dan waren er ook nog een aantal partijen die ik verloor, drie in totaal. Tegen Sjaak Spiegels kwam ik niet helemaal goed uit de opening en liet ik mij op de damvleugel insluiten. Het ontbrak mij aan tijd om een goede uitweg te vinden. Het kostte me uiteindelijk een pion en na wat afruilen nog een tweede pion en ook nog een hopeloze stelling.
Het had toen geen zin meer om verder te spelen en door op te geven kon ik mijn spaarzame energie in de nog resterende partijen steken. Tegen Floris van der Voorn kwam ik redelijk gelijk uit de opening. Hier was ik het die een pion offerde. Volgens mij kon het niet aangenomen worden, omdat ik dan de loper van Van der Voorn zou insluiten. Van der Voorn dacht daar anders over en nam de pion toch aan. In de afwikkeling die volgde kreeg ik twee stukken voor een toren, niet verkeerd dacht ik. Maar opeens was mijn stelling een ruïne, waar geen enkele samenhang in te bekennen was. Van der Voorn wist dat vakkundig uit te buiten en binnen een paar zetten kon ik alleen maar opgeven.
Tegen Peter de Vrieze had ik de hele partij een overwicht. Ik won een pionnetje op de damevleugel en wist met een stukoffer een mooie aanval op te zetten. Het was alleen een kwestie van tijd dat de stelling van De Vrieze zou imploderen. Mijn pion stond inmiddels op e7 en verschillende stukken van De Vrieze stonden gepend of anderszins vastgenageld op een veld. Ik dacht eenvoudig een toren te winnen en daarna te promoveren. Wat ik echter overzien had, was dat het enige stuk van De Vrieze dat vrij kon bewegen, zijn dame, me zowaar in één mat kon zetten op g2. Dom van me, dat kostte met het punt.
Alles overziend had ik er een beter gevoel bij dan vorig jaar, hoewel mijn score nauwelijks beter was (54% tegen 50% vorig jaar). Er blijft dus nog genoeg ruimte voor verbetering, maar dan moet ik wel eerst weer kampioen worden.”
Aloys Kersten – Sjaak Spiegels 0 – 1
In de opening wist Spiegels de centrum opmars van Kersten goed tegen te houden. Later ging Kersten toch voor de centrum opmars. Na wat ruilen van stukken kreeg Spiegels een half open b-lijn, Hij wist met zijn dame en toren druk te zetten op de pion op b2. Met wat creatief spel wist Kersten deze pion te verdedigen maar Spiegels blokkeerde de b-pion waardoor wit wat verkrampt kwam te staan. Toen Kersten probeerde de zwarte loper van de damevleugel te verjagen, ging hij in de fout en dat kostte hem een pion. Wit probeerde daarop een aanval door het centrum, maar Spiegels wist een dameruil te forceren en bij de afruil in het centrum won hij nog een pion. Hierna ging de strijd weer naar de damevleugel. Beide spelers moesten nauwkeurig schuiven met hun torens. Spiegels wist zijn torens beter te positioneren en dreigde zijn derde pion voorsprong te incasseren, hierop gaf Kersten de strijd op.
Aloys Kersten – Erik de Vrieze ½ - ½
In de opening stuurde De Vrieze aan op het Russisch, maar hier ging Kersten niet in mee. Er werd vervolgens van beide kanten rustig ontwikkeld. De Vrieze hoopte met twee paarden op de koningsvleugel over diezelfde vleugel ten aanval te trekken, maar ook hier had Kersten geen zin in. Zonder pardon gingen de paarden van het bord. Na een matig dame d2 van Kersten kon De Vrieze de witveldige lopers ruilen en Kersten opzadelen met een dubbelpion. Een paar onnauwkeurige zetten deden het spelbeeld kantelen. De Vrieze vond de zet f3 wel aardig bedacht, maar dame h4 was echt een stuk beter geweest want nu kon Kersten alle dreiging pareren. Net als voor Kersten geldt dat ook wij direct moeten zetten zodra hij aan het bord verschijnt, en dat kan de ene keer wat sneller zijn dan de andere keer. En alles even rustig uitvogelen is tegen Kersten toch al lastig genoeg. Ook de keuze om de sterke zwartveldige loper te ruilen voor het witte paard was niet verstandig omdat het nu wel heel erg richting remise ging. Toen Kersten dameruil aanbood was het of accepteren of mogelijk een hoop ellende. Dameruil bezegelde vervolgens wel de door Kersten aangeboden remise met ieder twee torens en zeven pionnen. De Vrieze boekte zo na enkele nederlagen in een simultaan eindelijk weer eens een resultaat.
Aloys Kersten – Peter de Vrieze 0 – 1
De partij ging gelijk op tot De Vrieze een pion achter kwam. Door enkele mindere zetten kwam hij zelfs drie pionnen achter. Maar nog steeds zag De Vrieze kansen, met name de pion op g2 was het doel. Speelde Kersten heel de avond bedachtzaam in elke partij die avond, op het laatst ging het snel want het rondje werd steeds korter voor hem. Toch ging Kersten voor mat en zelfs promotie want hij sloeg de loper op g7 die De Vrieze terugsloeg met de toren, waardoor de witte dame aangevallen werd op f7 terwijl de zwarte koning op h7 stond. Kersten sloeg veel te snel de andere zwarte toren op e8 waarna De Vrieze met de zwarte dame, die ondertussen al klaar stond op de tweede lijn, in één klap mat kon geven met Dxg2.
Aloys Kersten – Ernst van de Beek ½ - ½
Van de Beek speelde tegen Kersten een ietwat onnauwkeurig modern Scandinavisch. Na exd5 met een paard op c3 is pxd5 de beste zet, en kan de gambit met e6 niet meer gespeeld worden. Zwart probeerde het toch, en ruilde direct daarna het paard op c3 tegen zijn zwartveldige loper, met een dubbelpion voor wit op de c lijn tot gevolg. Zwart lag voor in ontwikkeling maar had wel een pion achterstand.
Op een paar onnauwkeurigheden na speelden beide spelers een goede opening, waarbij wit zijn ontwikkelingsachterstand goed maakte door een van zijn dubbelpionnen terug te geven. In het vervolg had wit het initiatief en pakte ruimte met zijn twee sterke centrumpionnen. Zwart wachtte rustig af en loerde op een kansje. Wits invasie van het zwarte kamp met pe4 gaf zwart de mogelijkheid tot een pin op e8. Zwart zag het maar koos toch anders. De situatie veranderde nagenoeg niet, tot dat op zet 22 zwart een gevaarlijk uitziende aanval van wit volledig verkeerd beantwoordde. Alhoewel zwart speelde op een matdreiging - wit had nog steeds zijn koning "achter de paaltjes" - gaf hij op het kritieke moment minder constructieve instincten de voorkeur. Na twee foute zetten stond wit gewonnen. De enige dreiging die zwart nog had was nog steeds de mat op de achterste rij, maar daarvoor moest hij wel iets forceren. Dd5 dreigde wederom met een pin materiaal te winnen. Wit reageerde keurig, de dame kon op de open e lijn komen omdat zwart had verzaakt de torens op spanning te zetten. Wit had de kans om te infiltreren in de zwarte stelling en een stuk te winnen, maar koos voor een gedwongen afruil van de dames. Een blunder, zo bleek. Kersten gaf later te kennen dat hij zich verrekend had, en in de overtuiging was niet één maar twee pionnen voor te staan. Een dure fout. Met de dames van het bord was elke witte dreiging uit de aanval. Zwart kon afwikkelen naar een toren eindspel, met beiden nog drie pionnen. In deze stelling erkenden beiden spelers het onvermijdelijke resultaat en besloten tot een remise.
Aloys Kersten – Martin Both ½ - ½
Dezelfde opening werd gespeeld als de simultaan van een jaar tevoren tussen Kersten en Both. Toen won de clubkampioen na een rondje of twintig. Gelukkig heeft Both het afgelopen jaar bijgeleerd. Tijdens de opening werden de centrum pionnen in elkaar geschoven. De pionnen van wit stonden op e4 en d5, van zwart op e5 en d6. Zwart probeerde met f7-f5 het centrum van wit te verzwakken en het begin van een koningsaanval op te zetten. Wit sloeg met zijn e-pion de f -pion. Zwart sloeg met z’n toren terug maar beter was geweest om met zijn g-pion terug te nemen dan had hij meer druk op de koningsstelling van wit kunnen zetten. Nu kreeg wit het initiatief en drong met zijn dame gevaarlijk de zwarte stelling binnen. Zwart wist gelukkig de aanval te pareren en af te wikkelen naar een gelijkwaardige stand….er werd een remise overeengekomen….voor Both een beter resultaat dan vorig jaar, dus dat biedt hoop voor de toekomst.
Aloys Kersten – Mark van Rooten 1 – 0
De partij tussen Kersten en Van Rooten was de langst durende partij van de avond. Na e4, e5 … p-3 opende zwart verder met pf6 het Russisch. Vervolgens kwam er in de opening een mooie stelling waarbij na pc3, d6 … lc4 zwart de pion sloeg op e4. Dit opende voor beide veel terrein want wit kon het paard terug slaan waarna zwart met d5 de loper en paard aanviel om materiaal terug te winnen. De dame werd ondertussen door wit ontwikkeld. Het slaan van pionnen was nog niet voorbij zo dacht Kersten en kon namelijk te niet verdedigde pion op e5 slaan met zijn paard. Van Rooten viel dit paard aan met de dame die vervolgens een de pion op c4 kon slaan. Aloys stond dus een mooie pion voor. Na verder ontwikkelen en het rokeren van wit en lang rokeren van zwart begon de moeizame strijd.
Van Rooten als zwart speler kreeg het op den duur voor elkaar om een toren, dame, toren batterij te creëren. Deze kon echter snel onderbroken worden door er een paard tussen te zetten wat ook gedaan werd door Kersten. Hierdoor werden twee torens afgeruild. Wit durfde gelukkig in dit verhaal een pion voor de koning zo naar voren te zetten dat het de dame en een paard aanviel. Deze pion stond verdedigd en zo kon wit materiaal winnen omdat de dame aan de kant werd gezet. Gelukkig is dit een schaakspel en werden er geen gevoelig snaren geraakt.
Op dit punt bleek na analyse dat wit één tegen zeven stond in verhouding. Echter was dit ook een omdraai want wit stond telkens beter. Nu moest zwart het echter nog afmaken. En hoewel hier de mogelijkheden toe waren was het voor Van Rooten toch net weer even wat veel druk en maakte een aantal verkeerde keuzes. Een hele mooie zet van Kersten was een pion die naar voren werd geschoven om een loper aan te vallen. Hierna zou het schaak opleveren dus was zwart verplicht de koning te verzetten. Dat is allemaal geen punt natuurlijk behalve als er ondertussen een dame van zwart wordt aangevallen door een loper. Zo ruilden beide spelers alle stukken af en bleven er alleen nog pionnen over. Omdat wit een pion meer had kon deze promoveren en met dit inzicht gaf Van Rooten op.
Aloys Kersten – Efraïm Pronk ½ - ½
Kersten opende op dit bord met de Italiaanse opening, waar Pronk in mee ging. Stukken werden ontwikkeld op een redelijke standaard manier. Pronk ontwikkelde zijn loper naar e6 die Kersten besloot te ruilen waardoor pronk een open f-lijn kreeg maar wel een dubbele e-pion. Beiden streden om een sterke pion-doorbraak te krijgen. Tijdens deze strijd brak Kersten de a-lijn open.
Vervolgens begon Pronk de aanval op Kersten met een kwaliteits offer. Kersten besloot direct ook een kwaliteit te offeren om een sterke aanval van Pronk te voorkomen. Er werden wat stukken geruild waardoor Pronk met een stuk meer maar wel twee pionnen minder het eindspel in ging. Na een pionnen opmars van Kersten en wat geschuif van de stukken Pronk werd de stelling drie keer herhaald en werd de partij remise.
KERSTEN – LEDENELFTAL 6 – 5 SCOREVERLOOP
Aloys Kersten – Jac Weeland 1-0 1 – 0
Aloys Kersten – Erik de Vrieze ½ - ½ 1½ - ½
Aloys Kersten – Martin Both ½ - ½ 2 – 1
Aloys Kersten – Floris van der Voorn 0-1 2 – 2
Aloys Kersten – Ernst van de Beek ½ - ½ 2½ - 2½
Aloys Kersten – Sjaak Spiegels 0 – 1 2½ - 3½
Aloys Kersten – Efraïm Pronk ½ - ½ 3 – 4
Aloys Kersten – Piet van der Schee 1-0 4 – 4
Aloys Kersten – Peter de Vrieze 0-1 4 – 5
Aloys Kersten – Dick Doeswijk 1-0 5 – 5
Aloys Kersten – Mark van Rooten 1-0 6 – 5
